Er zijn in de literatuur veel definities te vinden met betrekking tot motorisch leren.  Een hiervan is:

Motorisch leren is een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving’.

Relatief duurzaam: betekent dat het leereffect op langere termijn blijft bestaan

Gedragspotentieel: de verandering tijdens het motorisch leerproces is en wordt zichtbaar in het (bewegings-) gedrag. Wat je eerst niet (goed) kon, gaat nu beter.

Specifieke ervaringen: het motorisch leren is afhankelijk van de omgeving en de omstandigheden waarin deze geoefend wordt. Hier speelt het begrip transfer een grote rol.

De meeste trainers en coaches zijn bekend met het drie fasen model van Fitts en Posner. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende fases als het gaat om motorisch leren:

  • cognitieve fase; aandacht op de uitvoering van de beweging d.m.v een stap voor stap uitleg van de deelbewegingen. Hierbij ligt de nadruk op interne feedback.
  • associatieve fase; de deelbewegingen worden samengevoegd. Hierbij ligt de nadruk op externe feedback.
  • autonome fase; de uitvoering van de beweging gaat vanzelf, zonder bewuste aandacht of sturing d.m.v het inslijpen van de totaalbeweging door veel te herhalen.

Ofwel een proces naar een steeds meer geautomatiseerd bewegingsgedrag wat ook wel ruggenmergniveau genoemd wordt.

Hoewel dit model zich goed leent om nieuwe bewegingen aan te leren kent het echter wel een groot nadeel, namelijk de transfer van de aangeleerde beweging naar een nieuwe omgeving of variatie hiervan.

Bijvoorbeeld een beach-vollyballer waarbij je de sprongkracht traint met o.a. plyometrische oefeningen zoals jumpsquats, in een indoor omgeving op een harde ondergrond. Je zal merken wanneer je deze zelfde oefening/beweging gaat uitvoeren in het zand er een grote kans is dat deze beweging ten op zichtte van de indoor situatie veranderd is. Er is dan sprake van een beperkte transfer.

Dit houdt in dat je op zoek moet gaan in het leerproces naar de robuustheid/houdbaarheid van de totaal beweging (motorische output). Dit doe je door variaties aan te brengen in je oefenstof/materiaalgebruik/omgeving tijdens het leerproces.  Dus niet alleen maar door inslijpen in een gestandaardiseerde stabiele omgeving, maar een omgeving die meer recht doet aan de sportcontext waar de motorische output gevraagd wordt en die meer ‘onvoorspelbaar’ is dan de leeromgeving. “Be prepared for the unexpected”

Bronnenlijst:

Peter J. Beek Nieuwe, praktisch relevante inzichten in techniektraining Motorisch leren: uitgangspunten en overwegingen (deel 1)  Sportgericht nr. 1 / 2011 – jaargang 65

Schmidt RA & Lee TD (2005).Motor control and learning. A behavioral emphasis (4th edition) Champaign, Illinois, Human Kinetics.

Fitts PM & Posner MI (1967). Learning and skilled performance in human performance. Belmont, CA: Brooks Cole.

Recent Posts