Je kan programmeren vanuit energiesystemen (black box) en vanuit vermogen (ouput). Maar wat is nu een betere keuze? 

Input versus output
Wanneer je iemand traint maak je meestal gebruik van een trainingsschema. Dit schema noemen we de input. Deze input heeft invloed op het lichaam. Verschillende systemen worden aan het werk gezet. Denk hierbij aan het neurologische systeem of juist fysiologische systemen. Hier komt vervolgens een bepaalde prestatie uit. Dit noemen we de output. De output kan je meten met bijvoorbeeld het gewicht wat iemand verplaatst of de snelheid waarmee iemand beweegt. Je meet dus de gehele prestatie. 

De black box
De black box, met andere woorden het lichaam, is een erg complex iets. Er werken verschillende systemen tegelijkertijd en heel veel variabelen hebben daar invloed op. Het is dus heel erg moeilijk om heel duidelijk door te hebben waardoor je een bepaalde prestatie kan leveren. Zo is dat ook het geval bij energiesystemen.

Energie leveren door middel van ATP
Om energie te kunnen leveren zetten we bepaalde stoffen om in ATP: Adenosine Trifosfaat. Dit is de stof om energie te kunnen leveren. Er is niet 1 systeem wat ATP creëert, maar er zijn verschillende systemen, zoals het anaerobe en aerobe systeem die ervoor zorgen dat ATP wordt gecreëerd. Zo zijn er dus verschillende kraantjes ATP met verschillende bronnen die uiteindelijk in 1 emmer terecht komen. 

Het gezamenlijke ATP gebruiken we om vermogen te kunnen leveren. Het is erg complex om erachter te komen hoe groot de invloed is van de verschillende kraantjes. Het is dan ook veel interessanter om te kijken naar de gehele emmer met ATP. Je kiest er bijvoorbeeld voor om bij een marathon loper die emmer met energie langzaam uit te schenken tot hij uiteindelijk leeg is, terwijl je er bij een sprinter voor kiest de emmer met energie in 1 keer leeg te gooien. Wat de invloed is geweest van die verschillende ATP kraantjes is dus minder van belang dan de gehele emmer. 

Meten van het vermogen
We kunnen meten hoeveel vermogen er per tijdseenheid wordt verbruikt. Zo kun je zien hoe snel iemand beweegt, hoeveel gewicht iemand verplaatst en welke afstand iemand overbrugt. Als je gaat programmeren is het heel erg complex om de verschillende variabelen die zich in het lichaam afspelen individueel te gaan prikkelen. 

Programmeren op basis van output
Een andere benadering kan zijn dat je een schema baseert op output. Je maakt een analyse van de sport en je gaat kijken met welke snelheid een sporter zich voortbeweegt, welke weerstand die persoon krijgt en over welke tijdseenheid iemand moet bewegen. Kies je ervoor om de emmer met energie juist snel uit te schenken, wat langzamer of heel langzaam? Dus hoe ga je om met je energie en hoe verhoudt dit zich tot de sport. 

Recent Posts